psychologie

vrouwelijk (de)/ˌpsixoloˈɣi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. wetenschap (wetenschap) de wetenschap die zich bezighoudt met het onderzoek naar bewustzijnsverschijnselen, het bewuste, het onderbewuste en het onbewuste
    Hij studeert nu psychologie op de universiteit.
    Een vriend die in Amsterdam psychologie studeerde, had me op een dag gebeld of ik zo snel mogelijk naar de hoofdstad wilde komen met mijn gitaar.
    Jensen is hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Amsterdam en is gespecialiseerd in oorlogstrauma's.
  2. wetenschap (wetenschap) (de leer van) het geheel van de psychische verschijnselen in een groep of tussen groepen

Etymologie

* Leenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van ‘wetenschap die zich bezighoudt met de ziel’ voor het eerst aangetroffen in 1679

Vertalingen

Engelspsychology
Franspsychologie
DuitsPsychologie
Spaanspsicología, sicología
Italiaanspsicologia
Japans心理学
Poolspsychologia
Zweedspsykologi