pruimen

onzijdig (het)/ˈprœymə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) tabak kauwen
  2. eten
    die rommel is niet te pruimen
  3. mokken
  4. vermengen van water met stoom
  5. accepteren
zelfstandig naamwoord
  1. pruimenhout
  2. van pruimenhout gemaakt
    unieke pruimen tafel

Etymologie

*[4] Ontleend aan Engels "prime".

Vertalingen

Franschiquer
Duitspriemen