pruimedant
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˌprœyməˈdɑnt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (fruit) gedroogde (blauwe) vrucht van de pruimenboom,rode wijn en pruimedantenzeer veel drank en ook fazantentonnen bier en stapels broodharde worst vol kokosnooteen witte saus van weleerach, wat wil een mens nog meer!tekst: Wim T. Schippers, Zang: Sjef van OekelUit de Barend Servet-show
Etymologie
*van "prune d'ente" "pruim van een geënte boom", als teken van goede kwaliteit, in de betekenis van ‘gedroogde pruim’ voor het eerst aangetroffen in 1825
Vertalingen
Franspruneau
DuitsTrockenpflaumen, Dörrpflaumen
Spaansciruela pasa, ciruela seca
Italiaansprugne secche
Russischчернослив
Koreaans프룬
Arabischبرقوق مجفف,خوخ مجفف
Poolsśliwki suszone
Zweedssviskon, sviskon
Deenssveske
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek