programma

onzijdig (het)/proˈɣrɑma/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. informatica (informatica) applicatie voor de computer
    Hij schreef een nieuw programma in C++.
  2. aantal activiteiten voor een bepaalde tijd
    We hebben een heel programma om de kinderen bezig te houden.
  3. media (media) uitzending op radio of televisie
    Het journaal is een veelbekeken programma.
  4. los blaadje met informatie over de uitvoering of het concert dat men bijwoont
    Wilt u een programma, meneer?
  5. politiek (politiek) onderling afgesproken doelstellingen en plannen
    Dit past niet binnen het programma van onze partij.
  6. beschrijving van de geplande gebeurtenissen en handelingen
    Veel van de disciplines (hardlopen, worstelen, discus- en speerwerpen) lijken direct overgenomen te zijn uit het programma van de antieke Olympische Spelen.
    Het programma van deze grote festivals verschilde per plaats op een aantal punten: zo waren er in Delphi muzikale competities naast de sportwedstrijden, maar het is opvallend dat ze op de belangrijkste onderdelen overeenstemden.

Etymologie

* via Latijn "programma" "proclamatie, edict" van "πρόγραμμα" (prógramma), "schriftelijke aankondiging, edict", in de betekenis van ‘overzicht van onderdelen, verklaring’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1778

Vertalingen

Engelsprogram, programme, declaration of policy
Fransprogramme
DuitsProgramm
Spaansprograma, programa
Italiaansprogramma
Poolsprogram, program