proclisis
vrouwelijk (de)/proˈklisɪs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het verschijnsel dat een - meestal onbeklemtoond - woord wordt uitgesproken als vormde het een deel van het woord dat erop volgt
Etymologie
* van Neolatijn "proclisis", gevorm uit "κλίσις" (klisis) "verbuiging; voorvoegsel" met het voorvoegsel "pro-"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek