prins-bisschop

mannelijk (de)/prɪnzˈbɪsxɔp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie, geschiedenis (religie) (geschiedenis) christelijke geestelijke die naast de geestelijke macht over een bisdom, ook wereldlijke macht heeft over een bepaald territorium
    Het tweede paneel is een portret van een geestelijke die is geïdentificeerd als kardinaal Érard de la Marck (1472-1538), prins-bisschop van Luik.

Etymologie

*, geschreven met een koppelteken volgens