prikken

/ˈprɪkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. een prik of steek toedienen, met een dun voorwerp doorboren
    Hij zal haar aan de muur prikken om haar aan zijn verzameling toe te voegen, en hij vergeet haar zodra hij weer een ander paar glanzende vleugels ziet.
  2. een stekend gevoel veroorzaken
    Ze voelt haar nekhaartjes prikken en draait zich vlug om, omdat ze een band denkt te hebben met het huis onder het teken van de zon.
    De tranen prikken achter mijn ogen.
zelfstandig naamwoord
  1. kaaklozen (kaaklozen) een familie van kaakloze vissen (). Er zijn ongeveer 40 soorten, waarvan de meeste in zoet water leven. De mond is rond (zie afbeelding) en volwassen dieren hebben een rasptong met tandjes. Sommige soorten zuigen bloed bij andere vissen

Etymologie

* In de betekenis van ‘steken’ voor het eerst aangetroffen in 1573

Vertalingen

Engelspierce
Spaanspicar, pinchar