president

mannelijk (de)/ˌpreziˈdɛnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. politiek, regering (politiek), (regering) het staatshoofd van een republiek
    John Kelly herinnert zich onder meer hoe Trump als president meermaals klaagde dat hij geen generaals had die op dezelfde manier trouw aan hem zwoeren zoals de militaire leiders dat deden bij Adolf Hitler in nazi-Duitsland. [https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2024/10/24/democratische-presidentskandidate-kamala-harris-vindt-dat-donald/ www.vrt.be (24 okt 2024)]
    Er is wel een oplossing volgens professor Bongers. Mensen moeten het regenwoud met rust laten. Het aansteken van branden moet dus verboden worden. Nu wordt er bijna niet gecontroleerd. Er moet dus ook beter gecontroleerd worden. Maar Bongers denkt dat de president van Brazilië dat niet gaat doen.
  2. beroep (beroep) een leider of voorzitter
    Hij is president van dat bedrijf.

Etymologie

*afgeleid van het Franse président () [https://fr.wiktionary.org/wiki/président Wiktionnaire]

Vertalingen

Engelspresident, chairman
Fransprésident
DuitsPräsident
Spaanspresidente
Italiaanspresidente
Portugeespresidente
Poolsprezydent
Zweedspresident