potgieter
mannelijk (de)/ˈpɔtxitər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) (historisch) iemand die voorwerpen als pannen, bussen en kommen uit metalen als tin en koper maakt en hersteltIn Deventer woonden al in de veertiende en vijftiende eeuw veel zogenaamde "potgieters", die zich bezig hielden met het maken van gebruiksvoorwerpen, zoals bronzen vijzels, kookpotten en dergelijke.Zeker, het zijn niet altijd even bekende namen die wij daaronder ontmoeten, doch stellig mogen wij aannemen, dat deze ambachtslieden die doorgaans waarschijnlijk als potgieter hun brood verdienden, het gieten van een klok bij tijd en wijle zeker niet versmaadden.Zijn vader verloor hij vroeg (ca. 1592) en Hendrick vestigde zich te Deventer als potgieter.
Etymologie
*van Middelnederlands "potgieter",
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek