poten
/ˈpotə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) ondiep in de aarde stoppen, met name van bollen, wortels, zaden e.d. om deze te laten groeienDeze aardappels moeten nog gepoot worden.
Etymologie
* In de betekenis van ‘planten in de grond steken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Vertalingen
Engelsplant
Fransplanter
Duitspflanzen
Spaansplantar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek