posten
/ˈpɔstə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) op de post doenOnderweg naar zijn werk postte hij drie brieven.
- (inerg) op wacht staanHij postte al drie uur voor de winkel, maar er was hem nog niks verdachts opgevallen.
Vertalingen
Engelspost, stand guard
Fransposter, monter la garde
Duitszur Post bringen, in den Briefkasten stecken, die Wache halten
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek