positiviteit

vrouwelijk (de)/ˌpoziˌtiviˈtɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. optimistische, meewerkende of enthousiaste houding
    Hij was in bepaalde opzichten een jongere versie van mezelf. Zijn grote mond, iets te harde stem, irritante enthousiasme en overdreven positiviteit waren herkenbaar maar ook zijn ongepolijste bravoure, idealisme en romantische dromen om de wereld te verbeteren.
  2. mate waarin iets een positieve elektrische lading heeft

Etymologie

* afleiding van positief