positiviteit
vrouwelijk (de)/ˌpoziˌtiviˈtɛit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- optimistische, meewerkende of enthousiaste houdingHij was in bepaalde opzichten een jongere versie van mezelf. Zijn grote mond, iets te harde stem, irritante enthousiasme en overdreven positiviteit waren herkenbaar maar ook zijn ongepolijste bravoure, idealisme en romantische dromen om de wereld te verbeteren.
- mate waarin iets een positieve elektrische lading heeft
Etymologie
* afleiding van positief
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek