popiejopie

mannelijk (de)/ˌpopiˈjopi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die op een te gemakkelijke manier geliefd is of probeert te zijn
    Hij is een popiejopie, volgens de anderen. Iedereen lacht om zijn grapjes, ook als ze niet zo grappig zijn.
  2. populair, geliefd
    'Mijn ouders hadden een SRV-wagen. Mijn vader werkte zo hard dat ik indertijd dacht: zo ga ik het later niet doen. Maar als ik nu terugkijk, heb ik nooit anders gedaan. Ik heb altijd in de horeca gewerkt en zelf een Indonesisch restaurant gehad. Mijn toenmalige vrouw, zij is acht jaar terug overleden, was kokkin. We kenden elkaar van school. Ik was best popiejopie; op mijn 16de stond ik al achter de bar. Bijna de hele klas kwam naar koffiehuis Cupido. Gewoon koffie hè! Geen drugs, geen troep. Douwe Egberts. Alleen zij kwam er nooit. Volkskrant Gidi Heesakkers 26 juli 2016
    Goed communiceren via sociale media is ook lastig: te formeel reageren werkt niet, popiejopie doen of een foute grap maken wordt meteen afgestraft. Bedrijven en overheden hebben daarom steeds vaker speciaal opgeleide webcaremedewerkers in dienst. Zij kunnen precies de juiste toon aanslaan. Tubantia Niels Klaassen en Jaap van Zessen 11-01-2017

Etymologie

*in het Surinaams Nederlands in een andere schrijfwijze aangetroffen vanaf de late jaren 60 van de 20e eeuw als verwijzing naar , daarna ook gebruikt als meer algemene aanduiding van mensen die populair (willen) zijn en wijd verbreid geraakt door een onderdeel van en spotlied uit , waarin het verwees naar paus bij zijn in 1985