pook
mannelijk/vrouwelijk (de)/pok/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een stang om het vuur op te porren
- de versnellingshendel van een auto
- (schertsend) een dikke naainaald, breinaald of haarspeld
Etymologie
* In de betekenis van ‘rakel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1799
Vertalingen
Engelspoker, stick
Franstisonnier, levier
DuitsSchürhaken, Schaltknüppel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek