pok

mannelijk/vrouwelijk (de)/pɔk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) puist, blaasvormig zweertje of kuiltje als symptoom van een huidziekte zoals pokken, koepokken en water- of windpokken.
  2. litteken van een inenting tegen een pokziekte, vooral de pokken

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands "pocke" ‘puist(je), blaar’, uit Oergermaans *puhō (gen. *pukkaz), gutturale afleiding van de Indo-Europese wortel *beu- ‘opzwellen’, waartoe ook behoren o.a. Latijn bucca ‘de volgestopte of opgeblazen wang’, Pools buczyć się ‘zich opblazen’, Oudgrieks búktēs ‘opblazend (van de wind)’ en Sanskriet búkkati ‘hij blaft’. Evenals Nederduits Pock en Oudengels pocc, beide ‘pok, puist’.