ploegen
/ˈpluɣə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) zwoegend, met grote moeite zich ergens heen bewegenZe waren eindelijk door de zandvlakte geploegd en kwamen nu op hardere grond.Pogue en ik vlogen vooruit en raakten verwikkeld in een wedstrijd wie het snelste door de drassige grond kon ploegen.
- (inerg) zwoegend zich met grote moeite voortbewegenEr werd geploegd en geploeterd.
- (ov) land met de ploeg bewerkenDe akker was al geploegd.
- (inerg) (seksualiteit) (straattaal) groepsseks van een meisje met meer jongensZoals bijvoorbeeld de meisjes van een jaar of 14 die seks hebben met meerdere jongens. Ze doen het in kelderboxen van flatgebouwen, of thuis, als hun ouders weg zijn. ‘Ploegen’ heet dit verschijnsel. De jongen die het meisje en de ‘ploegplek’ regelt, ontvangt entreegeld. Een deel van de opbrengst gaat naar het meisje, dat soms inspraak heeft in wie er mogen meedoen.
Uitdrukkingen
- Daar valt niet mee te eggen of te ploegen
- Met andermans kalf ploegen — terwijl je de hulp van een ander gebruikt, doen alsof je het zelf alleen gedaan hebt
- Op rotsen ploegen — iets doen wat vergeefse moeite is
Vertalingen
Engelsplough
Franslabourer
Duitspflügen
Spaansarar, labrar
Italiaansarare
Portugeesarar
Russischпахать
Poolsorać
Zweedsplöja
Deenspløje
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek