plicht

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een taak die men op zich genomen heeft of opgelegd heeft gekregen, iets wat je moet doen
    Het is ieders plicht om voor je naaste te zorgen.
    Net zoals het onmogelijk was geweest zijn plicht te verzaken als spoorwegbouwer op de Hardangervidda om te proberen rijk te worden.
    Daarmee vond hij dat hij aan zijn plicht had voldaan en hij wrong zich door het gedrang om terug te keren naar het wachtende bureau thuis.

Etymologie

* Afgeleid van het werkwoord plegen met betekenis "instaan voor"

Uitdrukkingen

  • de plicht roept
  • weer moeten gaan werken

Vertalingen

Engelsduty, obligation
DuitsPflicht
Spaanscometido, deber, obligación