pleuren

/ˈplørə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov, informeel (ov) (informeel) smijten, met kracht maar weinig zorgzaam plaatsen
    Hij stormde opgewonden mijn kamer in en pleurde zijn jas op een stoel.
    Als je in de club lastig doet, pleuren de portiers je zo op straat.
  2. erga, informeel (erga) (informeel) vallen, vaak met veel geweld
    De perforator is zojuist van mijn bureau gepleurd.
    Kijk maar uit, één misstap en je pleurt in het ravijn!

Etymologie

*wellicht van Middelnederlands "pluderen" "kletsen" en "herrie maken" door samentrekking

Uitdrukkingen

  • bakkie pleurkopje koffie