plattrappen

/ˈplɑtrɑpə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) pletten door er erop te staan of te stampen
    ‘Trap die kamillen dan maar plat.’ Ik trapte al lopend tegen de stengels. Het was een voordeel dat ik toen hoge schoenen droeg. (…) Soms kwamen ze wel van pas, nu dus, bij het plattrappen van kamilledoorns.
  2. ov (ov) vlak en kaal maken door erop of erdoor te lopen
    Als Caïro in feeststemming is, of althans zo was het toen, weet het geen raad met zich zelf; men gaat de straat maar op, parken plattrappen of picknicken langs de Nijl; miljoenen mensen zijn uit hun gewone doen.