plakker

mannelijk (de)/ˈplɑkər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vlinders (vlinders) een nachtvlinder uit de familie van de donsvlinders ()
  2. beroep (beroep) iemand die behang aanbrengt
    Er werden plakkers en stukadoors gevraagd.
  3. informeel, persoon (informeel), (persoon) iemand die te lang op zijn stoel blijft zitten en niet weg wil gaan
    In onze kroeg spelen ze bij sluitingstijd altijd een vreselijke smartlap op vol volume om de plakkers naar huis te sturen.
  4. techniek, materiaalkunde (techniek), (materiaalkunde) een stukje materiaal dat door kleven op iets anders aangebracht wordt; ook bijv. bij medische toepassingen
    Heb je een plakker voor me? Mijn band is lek.
    Dit apparaat heeft plakkers voor op de borst.
  5. plakplaatje, sticker
    Wij verkopen leuke plakkers voor de versiering.
  6. informeel, verkeer (informeel), (verkeer) iemand die te dicht achter een ander voertuig rijdt, bumperklever
    Op de weg had ik een plakker achter me.

Etymologie

* van plakken