pizza
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈpitsa/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (voeding) gerecht van een belegde broodbodemAls je wat wilt eten, neem je maar een pizza.We bestelden pizza en dronken op het leven met een lokaal biertje.Ik had al wel genoeg hamburgers en pizza’s gegeten de afgelopen tijd.
Etymologie
* van "pizza", in de betekenis van ‘hartige koek’ voor het eerst aangetroffen in reisverslagen van de 19e eeuw, zie vindplaatsen hieronder.
Vertalingen
Engelspizza
Franspizza
DuitsPizza
Spaanspizza
Italiaanspizza
Portugeespizza
Russischпицца
Japansピザ
Koreaans피자
Arabischالبتزة
Turkspizza
Poolspizza
Zweedspizza
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek