pispaal

mannelijk (de)/ˈpɪspal/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. paal waar tegen men kan urineren
  2. figuurlijk (figuurlijk) een persoon waartegen men alles kan zeggen omdat die zich alles moet laten welgevallen
    De manager voelde zich een goed betaalde pispaal, want zijn medewerkers gingen altijd bij hém klagen als ze wat dwars zat.