pispaal
mannelijk (de)/ˈpɪspal/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- paal waar tegen men kan urineren
- (figuurlijk) een persoon waartegen men alles kan zeggen omdat die zich alles moet laten welgevallenDe manager voelde zich een goed betaalde pispaal, want zijn medewerkers gingen altijd bij hém klagen als ze wat dwars zat.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek