pion
mannelijk (de)/piˈjɔn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (schaak) een schaakstuk dat per zet slechts één vakje vooruit kan lopen en schuin vooruit slaatHij schoof zijn pion naar voren om de koning schaak te zetten.
- (figuurlijk) willoze persoon die door iemand anders voor diens plannen wordt gebruiktIk was slechts een pion in het spel van anderen.
- (Zuid-Nederlands) pylon
- (spel) figuurtje bij een bordspel
zelfstandig naamwoord
- (techniek) pignon, conisch tandwiel
zelfstandig naamwoord
- (deeltjesfysica) een subatomair deeltje dat zelf bestaat uit twee quarks en daardoor ook een boson isPionen komt in drie varianten voor: +, - en ongeladen.
Etymologie
*píon (n) [C]: van """, op te vatten als (verkorting) van pimeson
Vertalingen
Engelspawn, pion, pi meson
Franspion, pion, méson
DuitsBauer, Pion
Spaanspeón
Turkspiyon
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek