pingelaar

mannelijk (de)/ˈpɪŋəˌlar/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een voetballer die meerdere tegenstanders kan passeren zonder de bal over te spelen naar medespelers
    De razendsnelle pingelaar werd in 1969 door de internationale sportpers uitgeroepen tot de beste linksbuiten van Europa. Het grootste succes vierde hij een jaar later, toen hij Feyenoord als eerste Nederlandse club de Europa Cup I bezorgde. Tubantia 4 januari 2011 [https://www.tubantia.nl/sport/coen-moulijn-zelfs-geliefd-in-amsterdam-en-eindhoven~a45c976f/ Coen Moulijn, zelfs geliefd in Amsterdam en Eindhoven]
    Een collega noemde hem ooit de Arjen Robben van de gereformeerde theologiestudenten in Kampen. Een vergelijking die volgens Jan Bos (53) niet recht doet aan zijn voetbalcapaciteiten. De scheidende dominee van de Hofkerk was geen snelle pingelaar, altijd op zoek naar eigen succes. Tubantia 4 november 2016 [https://www.tubantia.nl/oldenzaal/kopsterke-dominee-jan-bos-verlaat-oldenzaal~a24dfe42/ Kopsterke dominee Jan Bos verlaat Oldenzaal]
    Ruben Schaken, die drie zoons heeft, omschrijft Jerayno als 'een brutaaltje'. "Hij is een pingelaar, een afmaker. Kirayno is een technische, tweebenige middenvelder, een box-to-box-player. Hij is net zo sociaal als zijn vader." Tubantia D. Jansen & T. Goullet 10 januari 2017 [https://www.tubantia.nl/sport/ene-zoon-schaken-naar-ajax-de-ander-naar-feyenoord~a089a584/ Ene zoon Schaken naar Ajax, de ander naar Feyenoord]

Etymologie

* van pingelen