pijpenkop

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de kant van een tabakspijp waarin de pijptabak zit en brandt, aan de andere kant zit het mondstuk
    Een man met een pijpenkop, een neerbuigend ventje met een snavel en een figuur met een oogbol als hoofd: onder de Musea voor Schone Kunsten te Brussel wonen sinds kort vreemde figuren. Ze zijn ontsproten aan de door het Magritte Museum gedrogeerde breinen van ‘piazzanen'. De Standaard 16 JULI 2010 Eric Bracke [http://www.standaard.be/cnt/t52su7vp Jongeren remixen René Magritte]
    „Hoe kleiner het pijpenkopje, des te ouder de pijp is. Tabak was vroeger namelijk duur", leren wij gelijk. Hij is de vijfde generatie Van Vreumingen en lid van de Pijpologische kring. Thuis heeft hij honderden exemplaren op zolder liggen, samen met te midden van de dagboeken van zijn voorvaders grootvaders die de winkel 175 jaar geleden openden. Overigens rookt hij zelf liever een sigaartje dan de pijp. De Telegraaf WENDY ROEP 05 dec. 2012 [https://www.telegraaf.nl/nieuws/1170008/kaas-en-kaarsen-in-gouda Kaas en kaarsen in Gouda]
  2. vingerhoedskruid
  3. het verbrede uiteinde van een doodlopende straat
    Bedoeling is dat er een nieuwe weg in komt met een rooilijnbreedte van 12 meter en een rijwegbreedte van 6 meter, eindigend op een pijpenkop. De Standaard 22 DECEMBER 2009 [http://www.standaard.be/cnt/h32k1av6 Ambachtelijke zone Roskam breidt uit]