piepen
/ˈpipə(n)/
Betekenis
werkwoord
- een hoog geluid voortbrengen dat niet erg hard klinkt
- (dierengeluid) het geluid van een muisje
- het geluid van de vogeltjes
- het geluid van een hijgende adem
- het fijn schril geluid van een krakende scharnier
- onverwacht korte tijd tevoorschijn komen (al dan niet gepaard gaand met een piepgeluid)
- stiekem, snel of oppervlakkig naar iets kijken
- (militair) (informeel) slapen
Etymologie
*[4] In de betekenis van “slapen”, voor het eerst aangetroffen in 1903.
Vertalingen
Engelssqueak, wheeze, creak
Franspépier, grincer
Duitspiepen, piepsen, quietschen
Spaanschillar, piar, resollar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek