piano

mannelijk/vrouwelijk (de)/piˈjano/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. muziekinstrument (muziekinstrument) algemene benaming voor een groot snaarinstrument waarvan de snaren via een toetsenbord (klavier) door hamertjes zacht of hard kunnen worden aangeslagen
    Er is veel muziek voor de piano geschreven of bewerkt.
  2. muziekinstrument (muziekinstrument) specifieke benaming voor het "wandmodel" van instrument [1] waarbij het toetsenbord haaks op de kast staat
    Voor het inspelen was geen vleugel beschikbaar zodat ze zich moest behelpen met piano van de gastouders.

Etymologie

*: van "piano"

Vertalingen

Engelspiano, upright piano
Franspiano, piano droit
DuitsKlavier, Pianino
Spaanspiano
Chinees鋼琴
Japansピアノ