peuter

mannelijk (de)/ˈpøtər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. jong kind in de leeftijd van één tot vier jaar
    De peuter brabbelde de hele dag door.
    - Is de peuter stil geweest? - Ja. Hij is niet wakker geworden. Blijf je nog op?
  2. persoon die peutert, peuteraar
  3. verouderd (verouderd) stoot, por
    ‘Halloo, what! old fellow, ouwe Hollander,’ zei de ‘captain.’ - ‘Never mind! - Jij bent bang, old Dutchman.’‘Bang?’ zei Jan, en hij keek den Engelschman vlak in zijn gezicht. ‘Bang? Net zoo min als jij, maar het is mijn plicht om je te waarschouwen.’In dat oogenblik had Jan den Engelschen dikzak graag een ‘peuter’ willen geven, want hij werd niet graag ‘geaffronteerd,’ maar als men loods is, mag men tot zulke ‘werktuigelijkheden’ natuurlijk niet overgaan
  4. verouderd (verouderd) lepeltje om het oor te reinigen

Etymologie

**[4] voorwerp waarmee wordt gepeuterd

Vertalingen

Engelstoddler
Fransbambin
DuitsKleinkind
Spaansinfante
Zweedskoltbarn
Deenssmåbarn