peuk

mannelijk (de)/pøk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. overblijfsel van een opgerookte sigaret of sigaar
    De roker gooide de peuk achteloos weg.
  2. informeel (informeel) sigaret
    Ik ga even peuken halen.
    De man ging bij het vuur zitten en stak een peuk op, net als de Marlboro-man uit de oude reclames.

Etymologie

* In de betekenis van ‘kort eindje van sigaar of sigaret’ voor het eerst aangetroffen in 1897

Vertalingen

Engelsbutt, stub, fag
Fransmégot
DuitsKippe, Stummel
Spaanscolilla, pitillo
Italiaanscicca, mozzicone, mozzicone di sigaretta
Zweedsfimp, cigg, tagg