petrichor
mannelijk (de)/ˈpetriˌxɔr/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- kenmerkende geur na een regenbui die een periode van droogte beëindigdIk was niet verheugd als de bomen weer gingen bloesemen of als ik petrichor rook na dagen onverdraaglijke hitte.
Etymologie
*van """, in 1964 door de 20e-eeuwse Australische biochemicus gevormd uit "πέτρα" (pétra) "rots" en "ἰχώρ" (ichóor) "bloed van een godheid"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek