personenverkeer

onzijdig (het)/pɛrˈsonə(n)vərˌker/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verkeer (verkeer) geheel van verplaatsingen van mensen door de openbare ruimte
    De bezetter verbood het personenverkeer tussen gemeentes.
    Terwijl het personenverkeer met koetsen na 1860 afnam, hadden de bodediensten tien jaar later een kwart van het goederenvervoer van de binnenvaart weten af te snoepen.
  2. economie (economie) verhuizing van mensen naar een ander gebieden om daar te gaan werken
    Tevens belooft het Handvest een schaalvergroting op het punt van de vrijheid van het personenverkeer en de vrijheid van vestiging - een winst die binnen de grenzen van de Nederlandse staat nooit bereikt had kunnen worden: ‘Iedere burger van de Unie is vrij om werk te zoeken, te werken, zich te vestigen of diensten te verrichten in iedere lidstaat’ (art. 15).
    Moderne mobiliteit en liberalisatie van handels- en personenverkeer brengen met zich mee dat ook de zelfkant van de samenleving meer en meer transnationaal wordt.

Etymologie

* (de meervoudsvorm is hier vereist voor de betekenis, daarom is -en- niet als tussenklank opgevat)