perkoen
mannelijk (de)/pɛrˈkun/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (waterbeheer) korte paal bestaande uit de geschilde stam van een jonge eik of denAangezien militairen begonnen waren met het slaan van perkoenpalen voor een kistdam en de Rijkswaterstaat gewaarschuwd was, dat in de Westkanaaldijk daar ter plaatse een hoogspanningskabel lag, werden de studenten tekeningen van de kabelligging ter hand gesteld, opdat zij konden nagaan of de kabel geraakt zou worden door een perkoen.
Etymologie
*via Middelnederlands "barcoen" van "bracon", cognaat met berkoen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek