pep

mannelijk (de)/pɛp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. energie, veerkracht, fut, pit, vuur
    Hij had geen pep meer om uit zijn bed te komen toen hij zag wat voor een slecht weer het was.
  2. farmacologie (farmacologie) amfetamine
    Pep is de volksnaam voor amfetamine omdat het een middel is wat je oppept

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘energie’ voor het eerst aangetroffen in 1955