pech

mannelijk (de)/pɛx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. toestand waarin er tegenslag te verwerken is die niet door eigen schuld veroorzaakt is
    Vorig jaar wilde hij medicijnen gaan studeren, maar hij had enorme pech want ondanks zijn acht gemiddeld kwam hij niet door de loting.

Etymologie

* Leenwoord uit Duits "Pech" , in de betekenis van ‘tegenspoed’ voor het eerst aangetroffen in 1901

Uitdrukkingen

  • pech krijgen

Vertalingen

Engelsbad luck, brakedown
Fransmalchance, guigne, poisse
DuitsPech
Spaansmala suerte
Zweedsotur