patser
mannelijk (de)/ˈpɑtsər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die pronkt (met zijn of haar bezit).Toen hij zijn bedrijf voor miljoenen had verkocht werd hij een patser in een luxe villa met zwembad en elk jaar een nieuwe auto.
Etymologie
* van patsen
Vertalingen
DuitsAngeber, Protz, Großtuer
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek