pater
mannelijk (de)/ˈpatər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) (rooms-katholiek) priester die tot een rooms-katholieke kloosterorde behoort
Etymologie
*van Latijn "pater" "vader", in de zin van "geestelijk vader"
Vertalingen
Engelsfather
Fransprêtre
Spaanspadre
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek