passeren
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) langskomen, voorbijgaanEr passeerden veel wandelaars.
- (ov), (verkeer) voorbijsteken, inhalenHij passeerde een aantal auto's en ging weer naar de rechterbaan.`Onze gasten kunnen gerust slapen in de wetenschap dat hun vertrekken duchtig worden bewaakt; zei Montebello. `Om zich toegang te verschaffen tot de bovenverdiepingen dient men te passeren tussen de hybride verschijningsvorm van de angst en het verraderlijk spinnende poesje dat voor raadselen stelt, die respectievelijk staan voor het weinig realistische zelfbeeld van de man en het wezen van de vrouw, als u het mij toestaat u te amuseren met mijn dilettantisme op het gebied van de symboliek.Het was al donker toen ik een onverharde weg passeerde waar een aantal eenpersoonstenten in de berm stonden.
- (ov), (kookkunst) door een zeef laten gaanDe saus wordt daarna nog even gepasseerd.
- (juridisch) bekrachtigen van een akte door een notarisVandaag is de statutenwijziging de notaris gepasseerd.
- (ov) overslaan bij een benoeming
- (ov) overslaan bij een besluitvormingHet kabinet trekt de vergunningverlening voor een asielzoekerscentrum in de Overijsselse plaats Albergen naar zich toe. Daarmee passeert het kabinet de gemeente Tubbergen, waar Albergen ligt.
- (erga), (verouderd) gebeuren
Etymologie
* In de betekenis van ‘voorbijgaan’ voor het eerst aangetroffen in 1294
Uitdrukkingen
- [1] langskomen, voorbijgaan
- De revue passeren — (oorspronkelijk militair jargon) beoordeeld worden; voorbijkomen; gesteld worden (van vragen)
- [2] voorbijsteken, inhalen
- Een gepasseerd station — Zie stationUitdrukkingen en gezegden
- [6] overslaan bij een besluitvorming
- Zich gepasseerd voelen — Zich buiten spel gezet voelen, vinden dat er bij een beslissing door een ander geen rekening is gehouden met het belang dat men zelf bij de zaak had
Vertalingen
Engelspass
Franspasser
Duitspassieren
Spaanspasar, adelantar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek