passant
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (persoon) voorbijgangerHij was slechts een toevallige passant.
- (persoon) doortrekkend reiziger
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘voorbijganger’ voor het eerst aangetroffen in 1600
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek