Parel

vrouwelijk (de)/ˈparəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een hard, rond voorwerp bestaande uit parelmoer dat door bepaalde weekdieren (hoofdzakelijk oesters, soms slakken) wordt gemaakt, en dat opgevist wordt om als sieraad te dienen
    Haar moeder zat in een fauteuil aan de ene lange kant van de salontafel, keurig gekleed in een plissérok en een groene twinset, kasjmier waarschijnlijk, en een eenvoudige ketting met één rij parels.
  2. bolvormig uitsteeksel aan de basis van een gewei van een hert
  3. figuurlijk (figuurlijk) bijnaam voor een talentvolle speler, die zich van andere (middelmatige) spelers onderscheidt, of een bedrijf, gebouw, gebied of eiland dat in schoonheid, strategisch belang of (commerciële) potentie boven de anderen uitsteekt.

Etymologie

*van "perle", in de betekenis van ‘klompje paarlemoerstof in oester’ voor het eerst aangetroffen in 1287

Uitdrukkingen

  • Parels voor de zwijnenverspilde moeite

Vertalingen

Engelspearl, gem, treasure
Fransperle, perle, pépite
DuitsPerle
Spaansperla, joya
Italiaansperla
Portugeespérola
Poolsperła
Zweedspärla