parcours

onzijdig (het)/pɑrˈkuːr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sport (sport) een bij een wedstrijd te volgen route
    De marathon van Rotterdam heeft een snel parcours.
    ‘Het past in het wielrennen van deze tijd. Het moet spannender, specialer, steiler, gekker.’ Wout Poels, meesterknecht voor Team Ineos, grapt dat hij maar beter zijn gravelbike kan meenemen. ‘We moeten er maar mee dealen. Dit is het parcours.’
  2. figuurlijk (figuurlijk) achtereenvolgende benodigde stappen (handelingen, besluiten e.d.) om een bepaald doel te bereiken
    Het af te leggen parcours van een project.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘af te leggen weg’ voor het eerst aangetroffen in 1901