paradigma

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. model, voorbeeld
    Als paradigma kan dienen...
  2. taalkunde (taalkunde) een reeks van verbogen of vervoegde vormen, allemaal met hetzelfde grondwoord
    Het volledige paradigma van het werkwoord.
  3. wetenschap (wetenschap) een samenhangend geheel van theorieën en modellen
    De evolutietheorie is ingebed in een wetenschappelijk paradigma.
  4. sociologie, psychologie (sociologie) (psychologie) door de leden van een bepaalde samenleving gedeelde constellatie van overtuigingen, waarden en handelwijzen
    Met andere woorden: het eerste paradigma van de islam is resultaat van — enerzijds - radicaal religieuze impulsen, waarden en eisen van de koran en - anderzijds - de gegevens uit de Arabisch-bedoeïenische stamcultuur van voor de islam die nu interfereren met die impulsen, waarden en eisen en ze omvatten.[http://books.google.nl/books?id=EIGH1G_OrUQC&pg=PA213&lpg=PA213&dq=paradigma+constellatie+waarden+samenleving&source=bl&ots=BWuVTU1zTz&sig=mfESMSAXeGqK8JDU7AAjwLxz9Ik&hl=nl&sa=X&ei=mkhbUP-uFcGo0AX7uoGQAw&ved=0CEwQ6AEwCAv=onepage&q=paradigma%20constellatie%20waarden%20samenleving&f=false {{Aut|Kung, H.

Etymologie

*afgeleid van het Oudgriekse δειγμα 'deigma' / δείκνυμι 'deiknumi' (ik laat zien)

Vertalingen

Spaansparadigma