paprika

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈpaprika/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. landbouw (landbouw) bepaalde gekweekte vorm van een peperplant,
  2. groente (groente) vrucht van een bepaalde gekweekte vorm van een peperplant,

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘plant, specerij’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1902

Vertalingen

Engelsbell pepper, sweet pepper
Franspoivron
DuitsPaprika, Paprikapflanze, Paprika
Spaanspimiento, morrón, pimiento morrón
Italiaanspeperone
Portugeespimentão
Russischперец овощной, перец сладкий
Chinees菜椒
Japansピーマン
Koreaans단고추
Arabischفلفل حلو
Turksbiber
Poolspapryka
Zweedspaprika
Deenspaprika, peberfrugt