paneel

onzijdig (het)/paˈnel/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. materiaalkunde (materiaalkunde) (rechthoekige) vlakke plaat met of zonder een omlijsting
    Dan heeft deze auto ook nog het Style+ pakket (€426) dat bestaat uit chromen sierlijsten, vermoeidheidsherkenning, chromen sierlijsten op de portieren, gekleurde panelen in het dashboard en het dak én de voorste raamstijl en de spiegelkappen in een afwijkende kleur.
  2. kunst (kunst) rechthoekig (beschilderd) stuk hout
    Een altaarstuk heeft meestal een paneel
  3. elektronica (elektronica) bedieningsbord, instrumentenbord, schakelbord
  4. schilderkunst (schilderkunst) houten planken om op te schilderen

Etymologie

* Van "panel", "zadelkussen". Verder te herleiden tot Latijn pannellus (zie ook "panel"). In de betekenis van ‘beschot’ voor het eerst aangetroffen in 1280.

Vertalingen

Engelsdash-board, panel, wainscot
Spaanspancarta, panel