paleoceen
onzijdig (het)/ˌpalejoˈsen/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (geologie) geologisch tijdperk waarin een grote verscheidenheid van zoogdieren ontstond, eerste tijdvak van het era paleogeen, van 66 tot 56 miljoen jaar geledenDe 'meest recente' plotse opwarming dateert van het einde van het paleoceen, ongeveer 56 miljoen jaar geleden.
Etymologie
* van "Paléocène", naam voorgesteld in 1874 door de Franse botanist W.P. Schimper; van παλαιός (palaiós) "oud" en καινός (kainós) "nieuw", dus: "oudste nieuwe (leven)"[https://books.google.nl/books?id=YngeAQAAIAAJ&lpg=RA1-PA92&ots=FhOhXRq5C4&dq=%22On%20the%20Silurian%20and%20Cambrian%20Systems%2C%20Exhibiting%20the%20Order%20in%20which%20the%20Older%20Sedimentary%20Strata%20Succeed%20each%20other%20in%20England%20and%20Wales%22&hl=nl&pg=RA2-PA48#v=onepage&q=paleocene&f=false "The Geologic Time Classification of the United States Geological Survey Compared with Other Classifications" (1925) US Department of the Interior, Washington]; p. 50; geraadpleegd 2016-02-02
Vertalingen
EngelsPalaeocene, Paleocene
FransPaléocène
SpaansPaleoceno
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek