paf

mannelijk (de)/pɑf/

Betekenis

tussenwerpsel
  1. het geluid van een korte knal, bijvoorbeeld van een pistool
    En, paf! Er klonk een schot en hij lag gewond op de grond.
zelfstandig naamwoord
  1. het roken, met name van tabak
    De jeugd in dat land is nog aardig aan de paf.
  2. het geluid van een afgeschoten vuurwapen
  3. verbaasd staand
  4. opgeblazen
    Ik loop voor het Mariabeeld om de gang in, en opeens wordt de paffe stilte gespleten door een schreeuw.Bavo Claes. 'Kraai'

Etymologie

*, : (klanknabootsing)

Uitdrukkingen

  • Paf staanverbaasd of verbijsterd zijn