paddenstoel
mannelijk (de)/ˈpɑdə(n)stul/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (mycologie) vruchtlichaam van een doorgaans onder de grond levende schimmel of zwamWe zijn paddenstoelen wezen zoeken.
- (Nederland), (verkeer) bepaald type wegwijzer langs een voetpad of fietspad
Etymologie
**[2] omdat de vorm aan een paddenstoel doet denken
Uitdrukkingen
- num=1 — als paddenstoelen uit de grond schieten
Vertalingen
Engelsmushroom, toadstool
Franschampignon
DuitsPilz
Spaansseta, champiñón, hongo
Italiaansfungo
Portugeescogumelo
Russischгриб
Chinees蘑菇
Japansキノコ, 茸, きのこ
Koreaans버섯
Arabischفطر
Turksmantar
Poolsgrzyb
Zweedssvamp, sopp
Deenssvamp
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek