paardenoog
onzijdig (het)/ˈpardə(n)ˌox/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- gezichtsorgaan van een hoefdier uit de familieEen paar paarden leken bang, met opengesperde ogen en wegdraaiende oogbollen, zoals op oude schilderijen van veldslagen; geen oog zo eng als een paardenoog.
- (anatomie) (figuurlijk) opvallend groot oog (bij mensen){{ouds
- (voeding) (figuurlijk) gebakken ei met hele dooier
- (numismatiek) (figuurlijk) (informeel) (verouderd)
- (België) munt van 5 frankOnderweg drinken ze genever, en bij hun terugkeer krijgen ze een paardenoog (5 fr.).
- (Nederland) munt van 2,5 guldenUit historische bronnen zijn voor rijksdaalder nog bekend `boerenknoop’, `knoop’, `paardenoog’ en `rijkspop’ – maar die zijn inmiddels kennelijk verloren gegaan.
- (spreektaal) benaming voor de margriet,{{ouds
- (scheepvaart) knoop in het touw dat dat in een flauwe bocht tussen de uiteinden van een ra hangt, waarop de matrozen kunnen staan bij het vast- of losmaken van het zeil
Etymologie
**[6] "paard" in de betekenis "touw onder een ra" en "oog" in de betekenis "lus"
Uitdrukkingen
- hij ziet door een paardenoog
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek