paardenhals

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de verbinding van het paardenhoofd en het paardenlichaam waarop de manen groeien
    Toen we via het strand op weg gingen naar Lyme, viel me op hoeveel hamers en zakken langs de flanken van zijn arme, geduldige paard hingen. En er hing een dode meeuw aan de teugels, zachtjes bonzend tegen de paardenhals.