owngoal
mannelijk (de)/ˈoŋɡol/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- actie waarbij de bal in het eigen doel wordt geschoten, zodat de tegenstander een doelpunt krijgtDe aanvoerder van de Tukkers baalde na afloop van zijn owngoal. "We verdedigden in de slotfase met alles wat we hadden en dan is het zonde dat ik nog een eigen doelpunt maak. We hebben met bravoure gespeeld, maar daar hebben we nu niks aan", besloot Thesker. Tubantia V.-J. Vanparijs 5 november 2017 [https://www.tubantia.nl/nederlands-voetbal/antiheld-thesker-gelijkspel-was-verdiend-geweest~aad7c901/ Antiheld Thesker: Gelijkspel was verdiend geweest]De winst van Charleroi tegen STVV, waardoor uitzicht op een finale thuis tegen de Zebra’s was al een opsteker en ook Waasland-Beveren, met 6 op 6 naar Kortrijk afgezakt, kon maar even KVK doen twijfelen. Dat was toen de Waaslanders uit het niets plots tegenscoorden na de openingstreffer van Avenatti. Een owngoal nog wel van Kristof D’Haene die een schot van Ampomah dat tegen de paal kletste zelf in doel devieerde. De Standaard 4 mei 2019 [http://www.standaard.be/cnt/dmf20190504_04376649 Charleroi wint topper in Play-off 2, Union in 8 minuten van 2-0 achter naar 2-3]
Etymologie
* uit het Engels
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek