overvliegen
/ˌovərˈvliɣə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) ergens overheen vliegenIn deze polder kan je in de herfst hele zwermen vogels zien overvliegen.Dat vliegtuig is nu al drie keer komen overvliegen, als die maar niet in de problemen zit!
- (erga) van de ene afdeling naar de volgende gaan, bijvoorbeeld bij scoutingNu zij zeventien werd zou ze overvliegen van de Zeemeeuwen naar de Najaden.
- (ov) iets met een vliegtuig ergens brengenDe nieuwe tenten worden volgende week overgevlogen.
Vertalingen
Engelsfly over, fly over, fly over
Franssurvoler, voler, transporter par avion
Duitsfliegen über, fliegen über, hinüberfliegen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek